Direct naar inhoud

Hoog contrast

Hoog contrast

“Mijn vader was de speelbal van de onmenselijke logica van het nazisme”

Als tiener sluit Charles Brusselairs zich aan bij het verzet. Op 27 juni 1943 wordt hij opgepakt en beginnen twee gruwelijke jaren. Charles verblijft in gevangenissen en Duitse strafkampen die hij ternauwernood overleeft. Na de oorlog houdt hij zijn verhaal lange tijd voor zich, maar op latere leeftijd begint hij het te delen: met de lezers van zijn boek, met leerlingen in scholen en met zijn eigen kinderen en kleinkinderen. Charles’ zoon Patrick vertelt het verhaal van zijn vader verder, onder meer op zaterdag 4 mei tijdens Open Huizen.

Charles Brusselairs groeit op in het Schoonselhof. Hij woont er met zijn familie omdat zijn vader directeur is van de Antwerpse begraafplaatsen. Die vader, Léon Brusselairs, is een oud-strijder van de Eerste Wereldoorlog. Regelmatig komen oorlogsvrienden over de vloer ten huize Brusselairs en halen er herinneringen op. De jonge Charles en zijn vijf jaar oudere broer Paul luisteren geboeid. Anti-Duitse gevoelens zijn in het gezin sterk aanwezig. 

Dat Charles in het verzet gaat, mag dan ook niet verbazen. In het boek dat hij later over zijn oorlogsjaren schrijft, stelt hij het zo: "Zij waren baas, bijna alles was verboden. Ik ben altijd voorstander geweest van individuele vrijheid. Ik kan moeilijk aanvaarden dat anderen beslissen zonder inspraak. Wie in een bezet land leeft, ondervindt dat de vijand over alles en nog wat beslist en beschikt. Om uit de kudde te geraken, moet je reageren. Ik wilde eruit, weg van degenen die geleefd werden onder Verordnungen, Bekanntmachungen en andere verboden. Het verzet begint wanneer men zich niet langer wil onderwerpen." 

Man in uniform op paard

Charles' vader Léon is een oud-strijder van de Eerste Wereldoorlog. (© collectie familie Brusselairs)

De fatale datum
Eind 1942 sluit Charles zich aan bij een jongerengroep die is verbonden aan de Witte Brigade. Onder de dekmantel van een turnkring doen de jongeren driloefeningen in een turnzaal in de Coebergerstraat en leren ze hoe een geweer functioneert. Ook verzamelen ze inlichtingen over Duitse wachtposten en de luchtafweer. “Op 27 juni 1943 is er die fatale datum”, vertelt Charles’ zoon Patrick. “Vlaamse SS'ers gevolgd door Duitse soldaten van de Wehrmacht vallen de turnzaal binnen met het pistool in de hand. Een leeftijdsgenoot heeft mijn vader en zijn kameraden verraden. Wie dat is geweest, heeft mijn vader nooit verteld. Wraakgevoelens heeft hij nooit gekoesterd, dat siert hem. Een aantal jongens wordt meteen vrijgelaten, anderen zijn vrij na een periode van gevangenschap in de Begijnenstraat. Daarbij is ook Paul, want mijn vader pleit zijn broer vrij.”

“Die dag begint voor mijn vader de gruwel. Hij wordt de speelbal van de onmenselijke logica van het nazisme. Zonder het te weten worden hij en zijn vrienden gecatalogeerd als politieke gevangenen, de Nacht und Nebel-gevangenen. Het zijn dissidenten die volgens de nazi’s moeten verdwijnen en nooit meer mogen terugkeren. Aanvankelijk denken de jongens dat ze snel weer vrij zullen zijn. Maar die hoop verandert in wanhoop als ze in Sint-Gillis graatmagere en bange gevangenen ontmoeten die uit Breendonk komen.” 

Dubbelportret van twee mannen

Charles en zijn oudere broer Paul zijn actief bij het verzet. (© colletie familie Brusselairs)

Honger, ziekte en hard labeur
Vanuit Sint-Gillis worden uiteindelijk 23 van de 34 jongeren van de originele groep gedeporteerd. Slechts 8 onder hen zullen levend terugkeren uit de kampen. Bij zijn gedwongen vertrek vanuit Brussel kan Charles nog een visitekaartje uit de trein werpen. Een plichtsbewuste burger stuurt het op naar zijn thuisadres. Na een kort verblijf in het Duitse Essen moet Charles naar het strafkamp van Esterwegen. Charles lijdt net als zijn kameraden honger en hij krijgt difterie en schurft. 

In maart 1944 moet hij plots naar Laband, vandaag is dat het Poolse Łabędy. Charles wordt er tewerkgesteld in een wapenfabriek. Aan de draaibank probeert hij de granaten en obussen die hij maakt, te saboteren. Daarbij krijgt hij op een dag een scherf in zijn oog. Een oogarts verzorgt hem, maar hij blijft de rest van zijn leven last ondervinden aan zijn rechteroog. Omdat de fabriek moet draaien, krijgen de gevangenen een beter rantsoen dan in Esterwegen. “Hadden we daar kunnen blijven werken, we waren allemaal weer naar huis gekeerd”, zegt Charles later daarover. 

Portret van een jongeman

Charles Brusselairs op 9 maart 1947. Hij is dan nog geen jaar terug thuis. (© collectie familie Brusselairs)

De grootste hel
Maar ook uit Laband moet Charles na een tijd weer vertrekken. Wanneer in januari 1945 Russische soldaten vlakbij zijn, ontruimt de SS het kamp. In de winterkou moeten de gevangenen deels te voet en deels met de trein naar Buchenwald. Charles legt de tocht door de sneeuw af op kousen. Wie te traag is of probeert te vluchten, wordt doodgeschoten. Ook de ontbering eist doden. Slechts iets meer dan 1 op 3 van de gevangenen die vertrekken in Laband, komen levend aan op hun bestemming. 

Vanuit Buchenwald doet Charles weer dwangarbeid, hij moet onder meer puin ruimen in Weimar. Maar de krijgskansen van nazi-Duitsland keren meer en meer en wanneer het Sovjetleger nadert, wordt ook dit kamp geëvacueerd. De SS laat een deel van de gevangenen achter, zij worden later bevrijd. “Helaas is mijn vader daar niet bij”, vertelt Patrick. “Voor hem breekt de grootste hel aan, voor zover hij die niet al gekend heeft. Van 9 april tot 6 mei zit hij op een dodentrein. Slechts 790 van de 5500 gevangenen zullen de reis in open kolenwagens overleven. Het gebrek aan voedsel drijft hen ertoe gras, netels en blaadjes te eten. Er zijn er zelfs die de longen van dode gevangenen koken. ‘Sie fressen Einander auf’, hoort mijn vader een SS’er lachend zeggen. ‘Kijk eens, wat voor beesten zijn het dat ze elkaar opeten.’ Terwijl net zij de beesten zijn.”

“In Terezin in het huidige Tsjechië slaan de SS’ers op de vlucht. Mijn vader is bevrijd, maar het zal nog weken duren voor hij dat beseft. In barakken worden de overlevenden verzorgd. Op een dag spoort zijn vriend Armand Manders hem aan om naar buiten te gaan: ‘Charles, we moeten hier weg. Ze zijn ons hier vergeten.’ Mijn vader en Armand zijn voor dood achtergelaten. Ze kruipen naar buiten en worden daar gevonden door de Tsjechische verplegers, liggend op de grond voor hun barak. Zo heeft hij de oorlog overleefd, al is het echt op het randje.”

De gezondheidstoestand van Charles Brusselairs is zo precair dat hij nog een jaar verblijft in een sanatorium in het Zwarte Woud. Daar wordt hij verzorgd door een verpleegster van het Franse Rode Kruis. Met haar zal hij later trouwen. Pas op 11 april 1946 krijgt hij zijn ontslagbrief, al zal hij ook thuis nog een jaar moeten rusten zonder dat hij mag werken. 

Vier mensen poseren op de trappen voor een gebouw.

De familie Brusselairs in 1941. (© collectie familie Brusselairs)

Groot rechtvaardigheidsgevoel
Terug thuis in het Schoonselhof wordt er weinig over de oorlog gesproken. “Mijn grootmoeder maant hem zelfs aan om er niet over te praten”, zegt Patrick. “’ Hier in Antwerpen hebben we ook honger geleden', zegt ze. Dat kan je je toch niet voorstellen! Bij zijn bevrijding weegt mijn vader minder dan 40 kilo, voor een man van 1 meter 75. Maar uit respect gehoorzaamt hij aan zijn moeder. Ook met ons, zijn kinderen, heeft hij lang niet over de oorlog gepraat. Ik heb altijd wel geweten dat hij contact had met zijn vrienden uit de oorlogsjaren. Ze hebben ook verschillende reizen naar Buchenwald gemaakt. In 1994 ben ik er ook samen met hem naartoe gegaan. Ook mijn twee broers heeft hij meegenomen, ieder apart. Begin jaren 80 heeft hij de urgentie gevoeld om zijn verhaal op papier te zetten en als boek uit te geven. Daarmee heeft hij niet alleen zijn verhaal achtergelaten, maar ook de manier waarop hij met zijn eigen verleden is omgegaan. Hij heeft de nood gevoeld om zijn verhaal door te geven opdat dat niet meer zou gebeuren. Maar de mens is blijkbaar te dom om die boodschap te begrijpen, dat zien we vandaag opnieuw.”

“Het verhaal van mijn vader is gruwelijk, hij heeft geleden tot op de drempel van de dood. Maar het verhaal ná de oorlog is voor een overlevende even belangrijk als het oorlogsverhaal zelf. Op zijn werk en in zijn sociaal engagement toont hij na de oorlog een groot rechtvaardigheidsgevoel. Hij heeft respect voor elke mens. Mijn vader wordt regionaal personeelsdirecteur van een supermarktketen, maar zal zijn macht nooit misbruiken. Zowel zijn bazen, zijn medewerkers als de vakbondsafgevaardigden beamen dat. Op die nalatenschap ben ik heel trots. De herinnering aan mijn vader is me zeer dierbaar. Vandaag wil ik vertellen wat hij wilde vertellen.” 


Het verhaal van Charles Brusselairs, verteld door zijn zoon Patrick, kan je beluisteren tijdens Open Huizen in zijn vroegere woonplaats: het kasteel van het Schoonselhof.

Zaterdag 4 mei, om 10, 11.30, 14 en 15.30 uur
Kasteel Schoonselhof, Krijgsbaan 100, Hoboken
De deelname is gratis, maar inschrijven is verplicht. Dat kan vanaf 5 april.  

Cookies opgeslagen